De Bijbel voor jou: Over de buitenkant

Terwijl het leger van Israël tegenover het leger van de Filistijnen staat, verschijnt er een indrukwekkende man: ruim 3 meter lang en een harnas van meer dan 50 kilo aan zijn lijf.

1 Samuel 17:1-11
David en Goliath

1 De Filistijnen verzamelden hun legers ten strijde en verzamelden zich in Socho, dat Juda toebehoort; zij sloegen hun kamp op tussen Socho en Azeka, in Efes-Dammim.
2 Maar Saul en de mannen van Israël verzamelden zich en sloegen hun kamp op in het Eikendal. Vervolgens stelden zij zich tegenover de Filistijnen op voor de strijd.
3 De Filistijnen stonden op een berg aan de overzijde en de Israëlieten stonden op een berg aan deze zijde, en de vallei lag tussen hen in.
4 Toen kwam er een kampvechter tevoorschijn uit het leger van de Filistijnen. Zijn naam was Goliath, uit Gath; zijn lengte was zes el en een span.
5 Hij had een bronzen helm op zijn hoofd, een geschubd harnas aan – het gewicht van het harnas was vijfduizend sikkel brons –
6 hij droeg een bronzen scheenplaat boven zijn voeten en een bronzen werpspies op zijn schouders.
7 De schacht van zijn speer was als een weversboom, en de punt van zijn speer was van zeshonderd sikkel ijzer; en de schilddrager ging voor hem uit.
8 Hij stond daar en riep de gelederen van Israël toe; hij zei tegen hen: Waarom zou u uittrekken om u op te stellen voor de strijd? Ben ik niet een Filistijn en bent u geen dienaren van Saul? Kiest u een man uit die naar mij toe komt.
9 Als hij met mij vecht en mij kan verslaan, zullen wij u tot slaven zijn, maar als ik hem overwin en hem versla, zult u ons tot slaven zijn en ons dienen.
10 Verder zei de Filistijn: Heden hoon ik de gelederen van Israël: Geef mij een man om samen te vechten!
11 Toen Saul en heel Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, waren zij ontsteld en werden zeer bevreesd.

Hoe komt het volgens jou dat Saul – die echt geen bange jongen was – en het hele volk Israël zo bang zijn voor Goliath?
Sommige mensen maken meteen indruk op je. Als ze ergens binnenkomen, vallen ze op. Overal in de wereld zijn mensen gevoelig voor personen die zich zelfverze­ kerd en krachtig voordoen. Zelfs in de kerk werkt dat zo. Hoe komt het dat iemands houding en zijn zelfverzekerde woorden ons zo naar hem (of haar!) laten opkijken?
Het heeft te maken met hoe je naar jezelf kijkt en vooral ook hoe je naar God kijkt. In Psalm 18 staat: ‘… met mijn God spring ik over een muur.’ Als je iemand ontmoet, kun je dan over de buitenkant van die persoon en over stoere woorden heen springen?
Je kijkt verder dan de eerste indruk, je ziet een gewoon mens achter die buitenkant. Je ziet misschien ook of deze persoon leeft met God.

Toepassing

Probeer vandaag eens bij mensen die stoer doen, iets van de andere kant van die persoon te zien.Vraag God je daarbij te helpen.