Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen …

1 Samuel 15:4-19
Saul overwint de Amalekieten

4 Saul riep het volk op en telde hen in Telaïm: tweehonderdduizend man voetvolk, en tienduizend mannen van Juda.
5 Toen Saul bij de stad van Amalek kwam, legde hij een hinderlaag in het dal,
6 en Saul liet tegen de Kenieten zeggen: Ga, ga weg, trek uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u niet samen met hen wegvaag. Want u hebt goedertierenheid bewezen aan al de Israëlieten toen zij uit Egypte kwamen. Toen gingen de Kenieten weg uit het midden van de Amalekieten.
7 Saul versloeg de Amalekieten vanaf Havila tot in de richting van Sur, dat tegenover Egypte ligt.
8 Agag, de koning van de Amalekieten, greep hij levend, maar al het volk sloeg hij met de ban, met de scherpte van het zwaard.
9 Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen, en wat bijna het beste was, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden die niet met de ban slaan. Maar elk gebruiksvoorwerp dat waardeloos en vergaan was, sloegen zij met de ban.
10 Toen kwam het woord van de HEERE tot Samuel:
11 Ik heb er berouw over dat Ik Saul tot koning aangesteld heb, omdat hij zich van achter Mij afgekeerd heeft en Mijn woorden niet uitgevoerd heeft. Samuel was hierdoor diep geschokt en hij riep de hele nacht tot de HEERE.
12 Samuel stond ’s morgens vroeg op en ging Saul tegemoet. Het werd Samuel verteld: Saul is in Karmel gekomen, en zie, hij heeft een gedenkteken voor zich opgericht. Daarna is hij omgekeerd en is hij doorgereisd en naar Gilgal gegaan.
13 Toen kwam Samuel bij Saul, en Saul zei tegen hem: Wees gezegend door de HEERE! Ik heb het woord van de HEERE uitgevoerd.
14 Toen zei Samuel: Wat is dit dan voor een geluid van schapen in mijn oren, en een geluid van runderen, dat ik hoor?
15 Saul zei: Die heeft men van de Amalekieten meegebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen gespaard om de HEERE, uw God, te offeren, maar het overige hebben wij met de ban geslagen.
16 Toen zei Samuel tegen Saul: Houd op, dan zal ik u vertellen wat de HEERE vannacht tot mij gesproken heeft. En Saul zei tegen hem: Spreek.
17 En Samuel zei: Is het niet zo, dat u, hoewel klein in eigen oog, hoofd van de stammen van Israël geworden bent, en dat de HEERE u tot koning over Israël gezalfd heeft?
18 De HEERE heeft u op weg gezonden en gezegd: Ga heen, sla de zondaars met de ban, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat u hen vernietigd hebt.
19 Waarom hebt u niet geluisterd naar de stem van de HEERE, maar bent u op de buit aangevallen en hebt u gedaan wat slecht was in de ogen van de HEERE?

Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen … 1 Samuel 15:9
Het is bijzonder dat de Heere Saul als instrument wil inschakelen om met Amalek af te rekenen na alles wat er gebeurd is (zie hoofdstuk 13 en 14).
Saul is zo goed begonnen als koning, maar dat is gelei­ delijk aan veranderd. Saul begint God van Zijn plaats te duwen. Hij wil geen instrument van de Heere meer zijn, maar dirigent. Hij gaat zelf alvast offeren in plaats van op Samuel te wachten, en hij is zo gericht op zijn eigen eer dat hij de dood van zijn zoon Jonathan ervoor over zou hebben.
In het bijbelgedeelte van vandaag krijgt Saul een derde kans van God. Samuels woorden in vers 1 en 17 verwij­ zen daarnaar. Saul hoeft alleen maar uit te voeren wat de Heere van hem vraagt, maar weer is hij ongehoorzaam. Hij verslaat Amalek, maar spaart koning Agag. Hij wil in eigen land met de eer strijken.
Hoe is dat bij ons? Heb je echt hart voor God of doe je de dingen om er zelf beter van te worden? Hoop je soms dat anderen je zullen prijzen? Dan zijn we dirigent over ons eigen leven in plaats van instrument: ‘Heere, wat wilt U dat wij doen zullen?’

Zingen:
Psalm 50:5 en 9
Op Toonhoogte lied 286:1, 2 en 5