Mijn oog vloeit van tranen en kan niet ophouden, omdat er geen rust is …

Klaagliederen 3:46-51
Lijden en hoop

46 Zij hebben tegen ons hun mond opengesperd, qs peqs*
al onze vijanden.
47 Angst en valkuil zijn over ons gekomen, qs peqs*
de verwoesting en de ondergang.
48 Waterbeken stromen neer uit mijn oogqs peqs*
vanwege de ondergang van de dochter van mijn volk.
49 Mijn oog vloeit van tranen en kan niet ophouden, qs ainqs*
omdat er geen rust is;
50 totdat de HEERE neerkijkt en zietqs ainqs*
uit de hemel.
51 Mijn oog doet mijn ziel kwelling aanqs ainqs*
vanwege al de dochters van mijn stad.

Mijn oog vloeit van tranen en kan niet ophouden, omdat er geen rust is … Klaagliederen 3:49
‘Hoe gaat het?’ ‘Ach, eerlijk gezegd, nog steeds niet goed.’ Na de hoopvolle woorden van de dichter in de afgelopen twee dagen zet hij nu zijn klacht weer voort. Zo kan het ook in ons leven gaan. Verdriet, moeite en zorgen zijn niet ineens over na het uiten van diep vertrouwen in het verwachten van de HEERE. De dichter huilt, het houdt maar niet op. Dat herkennen we wel, verdriet dat lang ingehouden is en er ineens uit komt en gaat stromen. ‘Huil maar eens flink uit.’
Hoe kan het, vraagt de dichter zich huilend af, dat de HEERE, Die niet van harte verdrukt en bedroeft (vers 33), nu nóg niet neerkijkt vanuit de hemel en ziet wat er allemaal is gebeurd met Jeruzalem en haar inwoners? Ja, het moet de HEERE moeite kosten om niet te kijken. Is het nog die toorn vanwege de zonden? Een toorn, die gelukkig geen leven lang duurt! Hoe dan ook, wij mogen geloven dat wij onze moeite en verdriet in Zijn hand mogen leggen (Psalm 10:14). Dat zijn de handen van Jezus Christus waarin littekens zijn gekomen.

Zingen:
Psalm 113:2 en 3
Op Toonhoogte lied 372