… als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan het geloof hem zalig maken?

Jakobus 2:14-19
Dood geloof

14 Wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?
15 Als er nu een broeder of zuster zonder kleding zou zijn en gebrek zou hebben aan dagelijks voedsel,
16 en iemand van u zou tegen hen zeggen: Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd, en u zou hun niet geven wat het lichaam nodig heeft, wat voor nut heeft dat dan?
17 Zo is ook het geloof als het geen werken heeft, in zichzelf dood.
18 Maar nu zal iemand zeggen: U hebt geloof en ik heb werken. Laat mij dan uw geloof zien uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof laten zien.
19 U gelooft dat God één is; daar doet u goed aan. Maar ook de demonen geloven dit, en zij sidderen.

… als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan het geloof hem zalig maken? Jakobus 2:14
Een dood geloof
Jakobus is een man van de praktijk. Het geloof moet zichtbaar worden. Anders blijft het theorie. Het moet handen en voeten krijgen. In vers 15 en 16 geeft hij een voorbeeld uit de praktijk. Iemand heeft geen kleren en geen eten, dat zijn de eerste levensbehoeften. Wat doe je dan? Je mag hem toch niet zomaar wegsturen? Anders is je geloof een schijnvertoning.
Je mag ook niet zeggen: Mensen zijn verschillend in aanleg (vers 18 en 19). Dan zou je zeggen: Er zijn mensen van de theorie en er zijn mensen van de praktijk. De één heeft het geloof, en de ander de werken. Nee, we mogen niet scheiden wat bijeen hoort. Jakobus benadrukt in dit verband zelfs de eenheid van God vanuit Deuteronomium 6:4. Dat is de geloofsbelijdenis van Israël (zie vers 19).
Een dood geloof! Wat erg. Ik moet mezelf toetsen op dit punt. Schiet ik niet tekort? Draait het niet heel veel om mezelf? Is het niet allemaal dor en doods in mijn leven? Daarom bid ik: ‘Heilige Geest, maak me alstublieft levend! Dat mijn leven toch vruchtbaar mag zijn en worden en … blijven!’

Zingen:
Psalm 119:88
Op Toonhoogte lied 243