Psalm 50:5 en 9

“Nooit klaagd’ Ik ’t u, indien Ik honger had,
Want d’ aard is Mijn’, en al wat zij bevat.
Zou stierenvlees, of wat ooit mensen voedt,
Mijn spijze zijn? Mijn drank der bokken bloed?
Neen; offert God uw dankb’re lofgezangen;
’t Geen gij belooft, moet d’ Allerhoogst’ ontvangen.”

“Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet,
Opdat Ik niet verscheur’, en niemand redd’.
Wie ’t dankbaar hart Mij biedt ter offerand’,
Die geeft Mij eer, en elk, die met verstand
Zijn wegen richt, mag op Mijn gunst vertrouwen;
Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen.”